Oprecht advies sinds 1989

Miljoenennota 2025
Special Miljoenennota 2026

 Tarieven  

In 2026 past de overheid de jaarlijkse inflatiecorrectie op de belastingschijven en heffingskortingen in de inkomstenbelasting nog maar beperkt toe. Per 1 januari 2026 is de wettelijke inflatiecorrectie 2,9%. Echter is in de voorstellen opgenomen dat de inflatie niet meer volledig wordt meegenomen. Daardoor kan uw belastingdruk (ook als particulier) stijgen, zeker bij oplopende prijzen. De beperking van de inflatiecorrectie is een budgettair alternatief voor de verhoging van het btw-tarief op cultuur, media en sport, die uiteindelijk niet doorgaat.

1.1 Aanpassing schijven, tarieven en arbeidskorting box 1

Vanaf 1 januari 2026 wijzigen de hoogte en de tarieven van de eerste en de tweede schijf in box 1. De eerste schijf stijgt van € 38.441 (2025) naar € 38.883 (2026). De tweede schijf stijgt van € 76.817 (2025) naar € 79.137 (2026). De tarieven veranderen mee. Het tarief van de eerste schijf daalt van 35,82% (2025) naar 35,70% (2026). Het tarief van de tweede schijf stijgt van 37,48% (2025) naar 37,56% (2026). Het tarief van de eerste schijf van de AOW daalt van 17,92% naar 17,8%.

Tarief inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen 2026 
Belastbaar inkomen
meer dan (€)  
Maar niet meer dan (€)   Tarief 2026 (%)  
Eerste schijf  – 38.883 35,7
Tweede schijf 38.883 79.137 37,56
Derde schijf 79.137 49,5

Let op!
De verlaging van het box 1-tarief betekent ook dat de aftrekposten in box 1 tegen het tarief van 37,56% in aftrek worden gebracht. Denk aan de renteaftrek eigen woning en de mkb-winstvrijstelling.

1.2 Heffingskortingen: lichte verhoging arbeidskorting

Naast de aanpassing van de schijven en tarieven stijgt ook de arbeidskorting. Deze loopt in 2026 van € 996 (2025: € 980) tot € 5.712 (2025: € 5.599).

Heffingskortingen 2025 (€) 2026 (€)
Algemene heffingskorting maximaal (< AOW-leeftijd) 3.068 3.115
Arbeidskorting (maximaal) 5.599 5.712
Jonggehandicaptenkorting 909 923
Maximum inkomensafhankelijke combinatiekorting 2.986 3.032
Ouderenkorting (maximaal) 2.035 2.067
Alleenstaandeouderkorting 531 540
Afbouwpercentage van de arbeidskorting 6,51% 6,51%

1.3 Afbouw zelfstandigenaftrek en mkb-winstvrijstelling

Voor ondernemers en zzp’ers blijft de mkb-winstvrijstelling in 2026 12,7%. De zelfstandigenaftrek daalt fors: van € 2.470 (2025) naar € 1.200 (2026).

Let op!
In de Voorjaarsnota 2025 is aangekondigd dat de stakingsaftrek en meewerkaftrek vanaf 2027 met 75% worden verlaagd en in 2030 volledig verdwijnen. Dit zien we niet terug in het Belastingplan 2026.

1.4 Geen tariefwijzigingen box 2

De tarieven in box 2 blijven in 2026 gelijk. Wel worden de schijven geïndexeerd. De eerste schijf stijgt van € 67.804 (2025) naar € 68.843 (2026) en wordt belast tegen 24,5%. Het bedrag daarboven valt in de tweede schijf en wordt belast tegen 31%. Fiscaal partners mogen beiden de eerste schijf toepassen.

Tip!
Wilt u dit jaar nog een dividenduitkering doen? Gebruik dan de eerste schijf: maximaal € 67.804 of € 135.608 bij fiscale partners. Een hogere dividenduitkering kunt u beter uitstellen naar 2026.

Let op!
Dividenduitkeringen beïnvloeden ook de algemene heffingskorting, uw vermogen in box 3 en eventuele excessieve leningen. Overleg met uw adviseur of een uitkering in 2025 voordelig is.

Tip!
Heeft uw partner geen eigen inkomen? Dan kan dividend uitkeren gunstig zijn om de algemene heffingskorting optimaal te benutten.

Let op!
Heeft u als aanmerkelijkbelanghouder een schuld van meer dan € 500.000 (exclusief eigenwoningschulden)? Dan heeft u tot en met 31 december 2025 de tijd om deze af te lossen. Anders betaalt u box 2-belasting over het bedrag boven de € 500.000.

1.5 Box 3: Werkelijk rendement vanaf 2028, lager heffingsvrij vermogen en einde groen beleggen

Tot 2028 blijft de belasting in box 3 gebaseerd op een fictief rendement. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat deze methode mogelijk in strijd is met het eigendomsrecht. Vanaf 2028 wordt daarom het werkelijk rendement belast. Tot die tijd worden enkele aanpassingen doorgevoerd in het forfaitaire systeem.

Per 1 januari 2026 daalt het heffingsvrij vermogen van € 57.684 naar € 51.396 per belastingplichtige. Voor fiscale partners daalt dit van € 115.368 naar € 102.792. Het forfaitair rendement op overige bezittingen stijgt van 5,88% (2025) naar 7,78% (2026). Deze stijging is budgettair gemotiveerd.

Tip!
Was uw werkelijke rendement in eerdere jaren lager dan het forfaitaire rendement? Dien dan een opgaaf werkelijk rendement (OWR) in. Vraag uw adviseur of dit belastingvoordeel oplevert.

De fiscale stimulans voor groen beleggen wordt afgebouwd. Voor groene beleggingen heeft box 3 een vrijstelling en een heffingskorting over de hoogte van deze beleggingen. De overheid bouwt deze mogelijkheid af. In 2026 is het nog mogelijk om van deze fiscaal-gunstige regeling te profiteren. De vrijstelling voor groene beleggingen bedraagt in 2026 nog € 26.715 per belastingplichtige en € 53.430 voor fiscale partners. Daarnaast wordt een heffingskorting toegepast van 0,1% van dit belastingvrije bedrag. Vanaf 2027 is er effectief geen fiscaal voordeel meer, dan is het bedrag van de box 3-vrijstelling voor groene beleggingen € 200 (voor partners € 400).

1.6 Ongewijzigde tarieven vennootschapsbelasting

De tarieven en schijven in de vennootschapsbelasting blijven ongewijzigd. Winst tot en met € 200.000 wordt belast tegen 19%. Het bedrag daarboven tegen 25,8%.

1.7 Verlaging overdrachtsbelasting voor niet-hoofdverblijfwoningen

Per 1 januari 2026 geldt een lager tarief van 8% (2025; 10,4%) in de overdrachtsbelasting voor woningen die niet als hoofdverblijf worden gebruikt. Zo wordt investeren in huurwoningen, tweede woningen en vakantiewoningen mogelijk aantrekkelijker en kan het aanbod in het middenhuursegment wellicht groeien. Deze wijziging was al in 2024 aangekondigd.

Tariefstructuur vanaf 2026:

  • 0%: Startersvrijstelling (onder voorwaarden)
  • 2%: Voor woningen die door de koper zelf als hoofdverblijf worden gebruikt
  • 8%: Voor woningen die niet als hoofdverblijf worden gebruikt (zoals beleggingen, verhuur of recreatie)
  • 10,4%: Voor niet-woningen, zoals bedrijfspanden en kantoren

 

Tip!
Overweegt u te investeren in een tweede woning of een woning voor verhuur? U bespaart 2,4% overdrachtsbelasting als u deze investering in 2026 doet.

1.8 Verhoging tarief kansspelbelasting

Per 1 januari 2026 stijgt het tarief van de kansspelbelasting in Nederland naar 37,8%. Dit is een forse verhoging ten opzichte van 34,2% in 2025. Deze aanpassing was al opgenomen in het Belastingplan 2025.

Jaar Kansspelbelasting
2025 34,2%
2026 37,8%

1.9 Geen btw-verhoging voor cultuur, media en sport – wél voor kort verblijf

Het kabinet schrapt de plannen om het verlaagde btw-tarief van 9% in 2026 af te schaffen voor cultuur, media en sport. Het verlaagde tarief blijft bestaan voor een groot aantal diensten en producten. Het 9%-tarief blijft gelden voor:

  • Kunstvoorwerpen
  • Boeken en het uitlenen van boeken
  • Toegang tot musea, muziek- en toneeluitvoeringen
  • Toegang tot sportwedstrijden en sportdemonstraties
  • Gelegenheid tot sportbeoefening en baden
  • Optredens door uitvoerende kunstenaars
  • Digitale levering of uitlenen van boeken en toegang tot nieuwswebsites
  • Gelegenheid geven tot kamperen

Let op!
De btw-verhoging voor kort verblijf (logies) gaat wél door. Vooruitbetalingen in 2025 voor 2026 vallen al onder het algemene btw-tarief van 21%.

1.10 Afvalstoffenheffing

De geplande polymerenheffing (plasticbelasting) vanaf 2028 vervalt, omdat men verwacht dat dit tot weglekeffecten leidt. Om dit verlies aan inkomsten te compenseren, worden er verschillende maatregelen genomen. Zo vervalt vanaf 2026 de vrijstelling voor zuiveringsslib. Er komt een apart tarief voor het storten met ontheffing. En de opbrengst van de CO2-heffing voor afvalverbrandingsinstallaties wordt budgettair teruggesluisd.

Daarnaast stijgt de afvalstoffenheffing fors: van € 39,70 per ton naar € 90,21 per ton in 2028 en naar € 113,81 per ton in 2035 (prijspeil 2025).

2 Werkgever

2.1 Afbouw korting bijtelling elektrische auto

Ondernemers konden de afgelopen jaren nog profiteren van een lagere bijtelling voor elektrische auto’s van de zaak. Daar komt vanaf 2026 definitief een einde aan. De fiscale stimulering van volledig elektrische auto’s wordt verder afgebouwd. Deze maatregel komt uit het Belastingplan 2022 en is dus niet nieuw.

Ook voor waterstofauto’s en auto’s met geïntegreerde zonnepanelen is het lagere bijtellingspercentage niet meer mogelijk.

In 2025 geldt nog een bijtelling van 17% over de eerste € 30.000 van de cataloguswaarde en 22% over het bedrag daarboven. Vanaf 2026 vervalt dit. Voor alle nieuwe auto’s – elektrisch én niet-elektrisch – geldt dan een bijtelling van 22% over de volledige cataloguswaarde.

Het bijtellingspercentage bij de eerste toelating van de auto blijft 60 maanden van toepassing. Dat betekent dat een elektrische auto die nog in 2025 wordt aangeschaft (datum eerste toelating uiterlijk 31 december 2025) nog gedurende vijf jaar profiteert van het lagere bijtellingspercentage.

Let op!
2025 is het laatste jaar waarin u een auto kunt aanschaffen met een lager bijtellingspercentage. Overweeg nu al uw investeringen in het wagenpark.

2.2 Fiets van de zaak: bijtelling vervalt bij niet-thuisstalling

Stelt u een fiets ter beschikking die door de werknemer voor privédoeleinden gebruikt mag worden? Dan wordt daar momenteel een bijtelling van 7% per jaar op ingehouden. Een fiets telt als privé als deze ook (deels) voor woon-werkverkeer wordt gebruikt.

Het kabinet wil de bijtelling laten vervallen als de fiets niet structureel thuis wordt gestald. Dit geldt bijvoorbeeld voor:

  • Fietsen die minder dan 10% van de tijd bij het woonadres worden gestald. Van ‘stallen’ is sprake als een werknemer de fiets voor het huis kan zetten en de sleutel mee naar binnen kan nemen.
  • Deelfietsen die op kantoor of bij een hub worden opgehaald.
  • Dienstfietsen die alleen incidenteel mee naar huis gaan.

 

Let op!
De bijtelling van 7% blijft wel van toepassing als de werknemer tijdens de rit naar huis omrijdt voor een privéboodschap.

Voor deelfietsen die niet mee naar huis gaan, maar wel privé worden gebruikt (bijv. omfietsen voor een boodschap), geldt deze uitzondering ook.

Tip!
Zorg dat de werknemer de deelfiets thuis niet meer kan gebruiken, of slechts af en toe mee naar huis neemt.

Tip!
Deze regeling werkt terug tot 1 januari 2020. Bijtelling sinds die datum kan worden gecorrigeerd als de fiets niet structureel thuis is gestald en de werknemer deze alleen voor (een deel van) het woon-werkverkeer heeft gebruikt.

Let op!
Deze wijziging geldt ook voor ondernemers die zelf een fiets van de zaak gebruiken.

2.3 Wijziging belastingheffing bij lucratieve belangen

De lucratiefbelangregeling belast vermogensrechten die een manager krijgt als beloning voor werkzaamheden. De regeling geldt wanneer de vermogensrechten worden verkregen onder voorwaarden die niet voor derden gelden. Denk aan aandelen, vorderingen of andere rechten die met een relatief lage investering een hoog rendement opleveren. Deze voordelen tellen als beloning en vallen in box 1. Het tarief is maximaal 49,5%.

Voorbeeld: lucratief belang in de praktijk
Het aandelenkapitaal van onderneming X bestaat uit twee soorten aandelen (A en B). Het zijn 95 aandelen A en 5 aandelen B. Eerst ontvangen de aandelen A een vast dividend, daarna gaat alle overwinst naar de aandelen B. Zijn de aandelen B mede een beloning voor werkzaamheden? Dan kan sprake zijn van een lucratief belang. De inleg voor de aandelen B is vaak laag, terwijl het rendement hoog kan zijn door de activiteiten van de betreffende aandeelhouder. Dit wordt volgens de overheid te laag belast.

Wijzigingen vanaf 2026
Vanaf 2026 wil het kabinet belastingontwijking via lucratieve belangen aanpakken. In de praktijk gebeurt dit vaak via een bv in box 2. Nu betaalt u daar slechts 24,5% tot 31% belasting over, mits 95% van het inkomen in hetzelfde jaar wordt uitgekeerd aan de aandeelhouder (de zogeheten doorstootregeling). Per 1 januari 2026 stijgt de belastingdruk naar maximaal 36% via een multiplier op het box 2-inkomen.

Sfeerovergang bij aanmerkelijk belang
Een tweede wijziging geldt bij het ontstaan van een aanmerkelijk belang: dit leidt tot een sfeerovergang. Daarbij telt de originele verkrijgingsprijs van het lucratieve belang. Het wetsvoorstel bepaalt dat de waarde die verschuift van box 3 naar box 2, ook wordt belast in box 1 als resultaat uit overige werkzaamheden. Zo blijft de tussentijdse waardestijging van het lucratieve belang niet langer buiten de hogere belastingheffing gehouden. Voor rechtstreeks gehouden belangen verandert de belastingdruk niet.

Tip!
Controleer of u vermogensrechten toekent die een beloning vormen voor verrichte werkzaamheden en die een hoger dan normaal rendement kunnen opleveren. Dit kan grote fiscale gevolgen hebben.

Tip!
Stem de kwalificatie, waarde en verkrijgingsprijs van lucratieve belangen af met de Belastingdienst. Zo krijgt u zekerheid over uw (latente) belastingpositie.

2.4 Wijziging pseudo-eindheffing vervroegde uitdiensttreding (RVU)

Biedt u uw personeel een regeling aan om de periode tot aan pensioen te kunnen overbruggen? Dan betaalt u sinds 2011 een extra heffing van 52%. Deze uitkeringen, ook wel bekend als RVU, stijgen per 1 januari 2026 naar 57,7%. Per 1 januari 2027 is het de bedoeling dat dit percentage wordt verhoogd tot 64% en in 2028 naar 65%.

Als tegemoetkoming voor de verhoging van de AOW-leeftijd bij zware beroepen geldt voor alle werknemers een vrijstelling. Deze wordt met € 300 verhoogd en gaat via jaarlijkse indexatie gelijk oplopen met de ontwikkeling van contractlonen. De vrijstelling bedraagt in 2025 € 2.273 per maand. Dit geldt niet met terugwerkende kracht. Voor regelingen binnen 36 maanden voor de AOW-leeftijd hoeft u geen pseudo-eindheffing te betalen als u binnen deze vrijstelling blijft.

Tip!
Het is niet altijd duidelijk of een regeling onder een RVU valt. Ook een eenmalige uitkering of regeling die vóór de pensioendatum afloopt, kan kwalificeren. Laat u hierover goed voorlichten.

Tip!
Wilt u werknemers financieel ondersteunen bij vervroegde uitdiensttreding? Dan is het verstandig om de mogelijkheden binnen de vrijstelling te laten beoordelen.

2.5 Invoering van 12% pseudo-eindheffing op fossiele personenauto’s

Personenauto’s zorgen voor veel uitstoot. Om de doelen uit de Klimaatwet in 2030 te halen, komt er een pseudo-eindheffing die werkgevers stimuleert sneller over te stappen op volledig elektrische auto’s.

Vanaf 1 januari 2027 geldt een pseudo-eindheffing van 12% over de cataloguswaarde (bij auto’s ouder dan 25 jaar: de marktwaarde) van iedere fossiele personenauto die een werkgever ook privé beschikbaar stelt. Woon-werkverkeer telt daarbij als privégebruik.

De werkgever betaalt de pseudo-eindheffing en mag deze niet doorbelasten aan de werknemer. De eigen bijdrage van de werknemer telt niet mee voor de bepaling van de pseudo-eindheffing.

De regeling geldt niet voor:

  • Auto’s die uitsluitend zakelijk worden gebruikt
  • Incidenteel privégebruik bij overmacht
  • Auto’s die vóór 1 januari 2027 ter beschikking zijn gesteld met een looptijd tot 17 september 2030
  • Bestelauto’s, vrachtwagens en tractors
  • Ondernemers voor de inkomstenbelasting (wel voor hun personeel)

 

De pseudo-eindheffing wordt per kalendermaand berekend. U draagt deze uiterlijk in het tweede tijdvak van het volgende jaar af. Over 2027 betaalt u dus uiterlijk in het tweede loonaangiftetijdvak van 2028.

Als gevolg van deze maatregel stijgen de kosten voor werkgevers flink als zij een auto ook privé beschikbaar stellen. Lopende lease- en koopcontracten vallen nog onder een overgangsperiode, maar vanaf 2027 moet u rekening houden met extra kosten bij nieuwe contracten.

Tip!
Overweeg vóór 2027 nog fossiele auto’s voor het eerst ter beschikking te stellen of juist te kiezen voor emissievrije auto’s om fiscale lasten te beperken.

Let op!
Woon-werkverkeer telt altijd als privégebruik. Ook met een verklaring ‘Geen privégebruik’ blijft de pseudo-eindheffing gelden.

2.6 Invoering van de Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties

Ondernemers hebben bij het werven van arbeidskrachten vaak de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht (bijvoorbeeld met een zelfstandige). Dit zorgt in de praktijk voor veel onduidelijkheid. Met de invoering van de Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties (VBAR) hoopt de wetgever meer duidelijkheid te creëren.

Volgens het wetsvoorstel moet u twee hoofdelementen tegen elkaar afwegen:

  • Werkinhoudelijke aansturing door u;
  • Het werken voor eigen rekening en risico door de arbeidskracht.

 

Zijn beide elementen aanwezig? Dan moet u wegen welk element de doorslag geeft. Verschillende rechterlijke uitspraken kunnen uw weging onderbouwen, ook wanneer deze van voor de invoering van deze nieuwe wet zijn. De wet legt bestaande rechtspraak vast en beoogt zo duidelijkheid te scheppen.

Ook wordt een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst ingevoerd. Laat u arbeidskrachten werkzaamheden verrichten tegen een tarief van € 36 of minder? Dan kan de arbeidskracht stellen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Het is dan aan u om te bewijzen dat dit niet het geval is.

Is een arbeidskracht bij u in dienst? Dan moet u premies voor de sociale zekerheid afdragen.

Daarnaast kunnen verplichtingen gelden voor pensioen, arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden.
De bedoeling is dat deze wetgeving per 1 juli 2026 ingaat, zonder overgangsrecht. Deze maatregel is overigens niet opgenomen in het Belastingplan 2026, maar wordt in een separate wet geregeld.

Tip!
Beoordeel elke arbeidsrelatie individueel: stuurt u werkinhoudelijk aan en werkt de arbeidskracht voor eigen rekening en risico? Leg uw afwegingen goed vast. Schakel bij twijfel altijd een adviseur in om u behulpzaam te zijn bij uw overwegingen.

Let op!
Contractuele afspraken komen niet altijd overeen met hoe in de praktijk wordt gewerkt. De uitvoering van de werkzaamheden in de praktijk is doorslaggevend.

2.7 Wijziging minimumjeugdloon en afschaffing bbl per 2027

Het kabinet verhoogt per 1 januari 2027 het minimumjeugdloon voor jongeren van 16 tot en met 20 jaar. Het doel van deze maatregel is de bestaanszekerheid van jongeren te vergroten. Hieronder worden de nieuwe percentages weergegeven.

Leeftijd Huidig percentage Percentage per 1 januari 2027
16 jaar 34,5% 40%
17 jaar 39,5% 50%
18 jaar 50% 62,5%
19 jaar 60% 75%
20 jaar 80% 87,5%

Vanaf 2027 is het minimumjeugdloon afhankelijk van het minimumloon. De exacte impact is daarom nog niet bekend.

Tegelijkertijd schaft het kabinet de afwijkende minimumlonen voor de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) per 1 januari 2027 af. Mbo-studenten die een opleiding volgen via de bbl krijgen voortaan het volledige minimumjeugdloon dat bij hun leeftijd hoort.

Let op!
Leer-werkplekken kunnen door de afschaffing van de bbl-minimumlonen duurder worden voor werkgevers.

Tip!
Houd de wetsvoorstellen in de gaten. De verhoging van het minimumjeugdloon is nu alleen opgenomen in de Rijksbegroting en nog niet vastgelegd in wetgeving.

2.8 Wijzigingen werkkostenregeling per 2027

In 2026 blijft de vrije ruimte van de werkkostenregeling 2% over de eerste € 400.000 van de fiscale loonsom. Vanaf 2027 stijgt dit percentage naar 2,16%. Over het bedrag boven € 400.000 blijft 1,18% gelden. Deze verhoging geeft u vanaf 2027 extra ruimte voor onbelaste vergoedingen, zoals kerstpakketten of thuiswerkvergoedingen. De wijziging komt uit een amendement op het Belastingplan 2025.

Onder de werkkostenregeling mag u een percentage van de fiscale loonsom besteden aan onbelaste vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen aan werknemers. Besteedt u méér dan de vrije ruimte, dan betaalt u 80% eindheffing over dat bedrag. U bepaalt zelf of en hoe u de vrije ruimte inzet.

2.9 Variabel nabestaandenoverbruggingspensioen

Werknemers sluiten via hun werkgever een nabestaandenoverbruggingspensioen af. De werkgever houdt hiervoor premies in op het brutoloon. Dit pensioen vult het inkomen van de partner aan als een werknemer overlijdt vóór de afgesproken pensioendatum. De partner ontvangt de aanvulling tot hij of zij de AOW-leeftijd bereikt. Overlijdt de partner eerder? Dan eindigt dit aanvullende pensioen.

Het is met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2023 fiscaal toegestaan dat de uitkeringen van het nabestaandenoverbruggingspensioen na de ingang daarvan ook variabel zijn. Ze stijgen of dalen door ontwikkelingen in levensverwachting, behaalde sterfteresultaten of beleggingsrendementen. Deze aanpassing is op verzoek van pensioenfondsen.

2.10 Inhouding huisvestingskosten arbeidsmigranten

In 2015 is de Wet aanpak schijnconstructies ingevoerd. Deze wet moet arbeidsmigranten beschermen door inhoudingen op het minimumloon te verbieden. Toch mogen werkgevers nu nog kosten voor huisvesting en zorgverzekering inhouden.

Voor huisvesting mag nu maximaal 25% van het minimumloon worden ingehouden. Uit onderzoek blijkt dat dit soms tot misbruik leidt. Daarom verlaagt het kabinet dit percentage vanaf 1 januari 2026 stapsgewijs met 5%-punt per jaar. Vanaf 2030 geldt een volledig verbod op inhouding voor huisvesting. Inhouding voor zorgkosten blijft wel toegestaan.

Tip!
Houd er rekening mee dat u vanaf 2026 minder mag inhouden voor huisvesting. Het is verstandig om uw loonadministratie hier tijdig op aan te passen.

2.11 Tegengaan misstanden in de uitzendsector

Er komt een toelatingsstelsel voor ondernemingen die arbeidskrachten uitlenen. Een uitlener mag straks alleen actief zijn als hij over een toelating beschikt. De toelating staat in een openbaar register. Om een toelating te krijgen, moet de uitlener voldoen aan een normenkader dat gebaseerd is op de NEN-4400 norm. Dit is ook de basis voor het certificaat van de Stichting Normering Arbeid (SNA). De regeling gaat in op 1 januari 2027. De toelatingsplicht geldt vanaf 1 januari 2028.

Let op!
Voor u als ondernemer betekent dit dat u straks zelf in het openbaar register moet controleren of uw uitlener een toelating heeft. Doet u dit niet, dan loopt u het risico op een boete van de Nederlandse Arbeidsinspectie en kunt u medeaansprakelijk worden gesteld voor misstanden, zoals onderbetaling of illegale tewerkstelling.

Daarnaast wordt in de Invorderingswet een mogelijkheid opgenomen voor de Belastingdienst om inleners eenvoudiger aansprakelijk te stellen voor onbetaald gebleven loonbelasting, premies en omzetbelasting voor 35% van de factuursom. Dit bedrag wordt verminderd met wat u op de G-rekening stort. De overheid stimuleert hiermee dat meer met G-rekeningen wordt gewerkt.

Let op!
Het is wel opmerkelijk dat het percentage (35%) van de factuursom afwijkt van de 25% (of 20% ingeval van btw-verlegging) die nu in de praktijk wordt gehanteerd.

De Belastingdienst krijgt daarnaast in de Invorderingswet meer mogelijkheden om inleners eenvoudiger aansprakelijk te stellen voor niet-betaalde loonbelasting, premies en omzetbelasting. Ook wordt er een registratieplicht ingevoerd voor uitleners. Deze registratie moet het voor de overheid vergemakkelijken om inleners aansprakelijk te stellen.

2.12 Versoepeling rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit

Werkgevers met meer dan 100 medewerkers zijn momenteel verplicht om bij te houden op welke wijze hun werknemers zakelijk reizen (woon-werkverkeer en overige zakelijke reizen). Op basis van deze informatie moet jaarlijks een rapportage worden ingediend bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).

In april 2025 is door de Tweede Kamer een motie aangenomen om de regeldruk voor het midden- en kleinbedrijf te verminderen door deze rapportageverplichting pas van toepassing te laten zijn voor bedrijven met ten minste 250 werknemers. De verwachting is dat dit binnenkort in een nadere regeling zal worden vormgegeven.

2.13 Versobering 30%-regeling en ETK voor expats

De 30%-regeling biedt werkgevers de mogelijkheid om bepaalde kosten die werknemers maken bij tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst onbelast te vergoeden. Er bestaat een gerichte vrijstelling voor extraterritoriale kosten (ETK) en de tegemoetkoming uit het besluit. Indien u kiest voor het forfait moet u vooraf een beschikking aanvragen bij de Belastingdienst. U kunt dan vervolgens als werkgever (maximaal) 30% van het loon onbelast vergoeden zonder dat u de kosten daadwerkelijk aan moet tonen. Dit percentage wordt per 1 januari 2027 verlaagd naar 27%. Voor reeds lopende regelingen geldt overgangsrecht.

In het Belastingplan 2026 wordt de ETK versoberd. Vanaf 1 januari 2026 worden twee kostensoorten uitgesloten.

  • Extra kosten van levensonderhoud, waaronder gas, water, licht en nutsvoorzieningen.
  • Extra gesprekskosten voor privédoeleinden met het land van herkomst.

 

Deze versobering geldt alleen voor ingekomen werknemers die tijdelijk in Nederland werken en niet onder de forfaitaire regeling vallen. De maatregel is bedoeld om het fiscale speelveld tussen binnenlandse en buitenlandse werknemers gelijker te maken en om arbeidsmigratie minder aantrekkelijk te maken.

Voor ondernemingen betekent dit dat zij vanaf 2026 de genoemde kosten niet langer onbelast mogen vergoeden aan buitenlandse werknemers die tijdelijk in Nederland werkzaam zijn. Dit kan leiden tot een lager nettoloon voor deze werknemers en mogelijk tot een verminderde aantrekkelijkheid van Nederland als werkland. De gemiddelde daling van het nettoloon wordt geschat op € 85 over een werkperiode van 18 weken (€ 20 per maand). De versobering geldt niet voor uitgezonden werknemers; voor deze groep wordt nog nader onderzoek gedaan.

Tip!
Controleer tijdig welke werknemers onder de 30%-regeling vallen en welke kosten worden vergoed. Pas de vergoedingsstructuur aan vóór 1 januari 2026 om fiscale risico’s te vermijden.

Let op!
Houd rekening met mogelijke toename van bezwaarprocedures en extra toezicht door de Belastingdienst. Zorg voor duidelijke afspraken en documentatie over vergoedingen om discussies te voorkomen.

2.14 Einde overgangsregeling partiële buitenlandse belastingplicht voor expats

De mogelijkheid voor expats om te kiezen voor partiële buitenlandse belastingplicht is per 1 januari 2025 al afgeschaft. Deze regeling stelde buitenlandse werknemers in staat om bepaalde buitenlandse inkomsten en vermogensbestanddelen buiten de Nederlandse belastingheffing te houden, ondanks dat zij in Nederland woonden.

Expats die vóór 1 januari 2024 gebruikmaakten van de 30%-regeling, konden via een overgangsregeling nog tot en met 31 december 2026 kiezen voor partiële buitenlandse belastingplicht. Deze overgangsregeling komt nu definitief ten einde. Vanaf 2027 worden alle expats volledig als binnenlands belastingplichtige aangemerkt. Dit betekent dat ook inkomsten uit box 2 (aanmerkelijk belang) en box 3 (vermogen) in Nederland belast worden.

Let op!
Voor veel expats betekent dit een wijziging met aanzienlijke impact, het is verstandig u hier goed over in te laten lichten.

2.15 Wijzigingen premies Arbeidsongeschiktheidsfonds en Algemeen werkloosheidsfonds

Als werkgever betaalt u premies voor werknemersverzekeringen, waaronder de Aof-premie (Arbeidsongeschiktheidsfonds) en de AWf-premie (Algemeen Werkloosheidsfonds). Vanaf 2027 worden hier enkele belangrijke wijzigingen doorgevoerd die van invloed zijn op uw loonkosten.

De lage Aof-premie wordt in 2026 verlaagd met 0,21%-punt en in 2027 met 0,23%-punt. De hoge Aof-premie wordt juist verhoogd: in 2026 met 0,03%-punt en in 2027 met 0,04%-punt. De eerder geplande verhoging van de AWf-premie wordt uitgesteld met één jaar.

3 Ondernemingen en ondernemers

Van de aanpassing van de schijven en arbeidskorting in box 3 tot de verlaging van de zelfstandigenaftrek en vereenvoudigingen in btw-regels. Het Belastingplan 2026 brengt opnieuw belangrijke veranderingen met zich mee. We zetten de belangrijkste punten hieronder voor u als mkb-ondernemer uiteen.

3.1 Aanpassing schijven, tarieven en arbeidskorting box 1

Vanaf 1 januari 2026 wijzigen de hoogte en de tarieven van de eerste en de tweede schijf in box 1. De eerste schijf stijgt van € 38.441 (2025) naar € 38.883 (2026). De tweede schijf stijgt van € 76.817 (2025) naar € 79.137 (2026). De tarieven veranderen mee. Het tarief van de eerste schijf daalt van 35,82% (2025) naar 35,70% (2026). Het tarief van de tweede schijf stijgt van 37,48% (2025) naar 37,56% (2026). Het tarief van de eerste schijf van de AOW daalt van 17,92% naar 17,8%.

Tarief inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen 2026 
Belastbaar inkomen meer dan (€)   Maar niet meer dan (€)   Tarief 2026 (%)  
Eerste schijf  – 38.883 35,7
Tweede schijf 38.883 79.137 37,56
Derde schijf 79.137 49,5

Let op!
De verlaging van het box 1-tarief betekent ook dat de aftrekposten in box 1 tegen het tarief van 37,56% in aftrek worden gebracht. Denk aan de renteaftrek eigen woning en de mkb-winstvrijstelling.

3.2 Geen tariefwijzigingen box 2

De tarieven in box 2 blijven in 2026 gelijk. Wel worden de schijven geïndexeerd. De eerste schijf stijgt van € 67.804 (2025) naar € 68.843 (2026) en wordt belast tegen 24,5%. Het bedrag daarboven valt in de tweede schijf en wordt belast tegen 31%. Fiscaal partners mogen beiden de eerste schijf toepassen.

Tip!
Wilt u dit jaar nog een dividenduitkering doen? Gebruik dan de eerste schijf: maximaal € 67.804 of € 135.608 bij fiscaal partners. Een hogere dividenduitkering kunt u beter uitstellen naar 2026.

Let op!
Dividenduitkeringen beïnvloeden ook de algemene heffingskorting, uw vermogen in box 3 en eventuele excessieve leningen. Overleg met uw adviseur of een uitkering in 2025 voordelig is.

Tip!
Heeft uw partner geen eigen inkomen? Dan kan dividend uitkeren gunstig zijn om de algemene heffingskorting optimaal te benutten.

Let op!
Heeft u als aanmerkelijkbelanghouder een schuld van meer dan € 500.000 (exclusief eigenwoningschulden)? Dan heeft u tot 31 december 2025 de tijd om deze af te lossen. Anders betaalt u box 2-belasting over het bedrag boven de € 500.000.

3.3 Ongewijzigde tarieven vennootschapsbelasting

De tarieven en schijven in de vennootschapsbelasting blijven ongewijzigd. Winst tot en met € 200.000 wordt belast tegen 19%. Het bedrag daarboven tegen 25,8%.

3.4 Verlaging zelfstandigenaftrek; mkb-winstvrijstelling blijft gelijk

De zelfstandigenaftrek is een bedrag dat ondernemers in de inkomstenbelasting mogen aftrekken van hun winst als ze minimaal 1.225 uur hebben gewerkt. Het kabinet heeft in het Belastingplan 2023 besloten de zelfstandigenaftrek stapsgewijs te verlagen, om zo het fiscale verschil tussen werknemers en zelfstandigen kleiner te maken.

De zelfstandigenaftrek gaat van € 2.470 (2025) naar € 1.200 (2026) en wordt uiteindelijk verlaagd tot € 900 in 2027. Starters houden recht op € 2.123. Voor ondernemers die AOW-gerechtigd zijn, geldt een verlaging naar 50% van het bedrag aan zelfstandigenaftrek.

Voor ondernemers en zzp’ers blijft de mkb-winstvrijstelling in 2026 12,7%.

Let op!
Vanaf 2027 dalen de stakingsaftrek en meewerkaftrek met 75%. In 2030 worden ze volledig afgeschaft. Deze wijzigingen staan in de Voorjaarsnota 2025, maar niet in het Belastingplan 2026.

3.5 Bedrijfsopvolgingsregeling

Het doel van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) en de doorschuifregeling (DSR) is bij reële bedrijfsoverdrachten te voorkomen dat de continuïteit van de onderneming in gevaar komt door de belastingdruk. U kunt daarom met een fiscale stimulans het stokje aan de volgende generatie doorgeven. De regelingen spelen daarom een belangrijke rol bij de overdracht van familiebedrijven.

Eind 2024 zijn diverse wetswijzigingen in de BOR en DSR aangenomen die per 1 januari 2026 in werking treden. Deze wijzigingen zijn bedoeld om de regelingen beter te richten op echte ondernemingen en om constructies en misbruik tegen te gaan.

Wat verandert er in de bedrijfsopvolgingsregeling en doorschuifregeling per 2026?

  • Het begrip preferente aandelen is uitgebreid: aandelen met een wezenlijke voorrang op winst of liquidatieopbrengsten worden als preferent gezien. Ten aanzien van preferente aandelen gelden de BOR en de DSR niet (behoudens uitzonderingen).
  • De regelingen gelden nog uitsluitend voor gewone aandelen met een belang van minimaal 5%. Opties en winstbewijzen vallen buiten de regelingen.
  • De regels rondom herstructureringen tijdens de bezits- en voortzettingstermijn worden versoepeld.
  • Voor schenkers wordt de bezitstermijn van vijf jaar verlengd. Is de schenker bij overdracht zes jaar (of meer) ouder dan de AOW-leeftijd? Dan telt elk extra jaar voor zes maanden extra bezitstermijn.
  • Voor erflaters wordt de bezitstermijn van één jaar verlengd. Is de erflater bij overlijden meer dan twee jaar ouder dan de AOW-leeftijd? Dan komt er per extra jaar zes maanden bij.
  • De (onbedoelde) dubbele BOR wordt beperkt: u mag de bedrijfsopvolgingsregeling nog slechts één keer toepassen op dezelfde ondernemingen. Schenken, terugkopen en opnieuw schenken is dus niet meer mogelijk.
  • Vanaf 2026 tellen ook schulden mee die horen bij het ter beschikking gestelde onroerend goed. Hiermee wordt een eerdere omissie in de regeling hersteld.

 

Tip!
Overweegt u om uw onderneming op (lange) termijn over te dragen aan uw kinderen? Dan kan het verstandig zijn om samen met uw adviseur de timing van de overdracht te herzien.

3.6 Samentelbepaling maximale investeringsbedrag energie-investeringsaftrek

Bedrijven en ondernemers die investeren in energiezuinige bedrijfsmiddelen mogen 40% van die investering extra aftrekken van de winst. De grens ligt bij € 151 miljoen per jaar (2025), daarna vervalt de extra aftrek. Investeert u (mede) via een samenwerkingsverband, zoals een vof? Dan kunt u boven de grens van € 151 miljoen uitkomen en onbedoeld de aftrek verhogen. Het kabinet wil dit voorkomen. Daarom tellen investeringen in een samenwerkingsverband mee met de eigen investeringen. De grens blijft € 151 miljoen.

3.7 Btw-vrijstelling voor sociale en culturele diensten ook bij winst 

Op dit moment geldt de btw-vrijstelling voor diensten van sociale of culturele aard alleen als de aanbieder géén winst beoogt. In april 2023 besliste de Hoge Raad dat de uitzondering in lagere regelgeving juridisch niet houdbaar was. Daardoor moesten sommige instellingen ineens 21% btw gaan rekenen, wat leidde tot hogere kosten voor maatschappelijke dienstverlening.

In de Fiscale verzamelwet 2026 wordt de btw-vrijstelling uitgebreid naar instellingen die winst beogen, zolang zij sociale of culturele diensten verrichten. Denk aan schuldhulpverlening, beschermingsbewind en curatele, jeugdhulp, maatschappelijk werk, dagverblijven voor gehandicapten en preventieve jeugdinterventies.

Let op!
Brengt u nu btw in rekening? Dan moet u mogelijk eerder afgetrokken btw op uw investeringen opnieuw beoordelen en corrigeren.

3.8 Bezwaar en beroep mogelijk bij btw-aangifte met nihil-saldo

Vanaf 2026 kunt u ook bezwaar maken tegen een btw-aangifte met een nihil-saldo. Een nihilaangifte ontstaat wanneer de verschuldigde btw en de voorbelasting gelijk zijn. Hierdoor is er geen btw te betalen of terug te krijgen. Tot nu toe was het onduidelijk of u in zo’n situatie bezwaar kon maken. Door de Fiscale verzamelwet 2026 verandert dit en geldt de nihilaangifte voortaan als een voldoening op aangifte. Dit betekent dat de gebruikelijke bezwaarprocedure hier van toepassing is.

3.9 Aanpassing aftrek gemengde kosten

Werkgevers die vennootschapsbelastingplichtig zijn, hebben te maken met een aftrekbeperking voor kosten met een privé-element. Denk daarbij aan eten, drinken en representatie. De aftrekbeperking sluit aan bij het loonbegrip uit de Wet op de loonbelasting 1964. Sinds de invoering van de werkkostenregeling telt ook de vrije ruimte mee als loon. Over dit loon is geen loonheffing betaald, maar het vergroot wel de aftrekmogelijkheid in de vennootschapsbelasting.

Vanaf 1 januari 2026 telt alleen het fiscale loon mee waarop loonheffing is ingehouden. Dit vindt u in de verzamelloonstaat. Dat maakt de toepassing eenvoudiger, maar verkleint de aftrekmogelijkheden voor u als werkgever.

Tip!
Beoordeel tijdig uw WKR-administratie. Mogelijk heeft u in 2025 nog vrije ruimte of komt u juist tekort richting de maanden waar u zaken wilt schenken aan uw personeel. U kunt nu al rekening houden met de extra kosten die een overschrijding van de vrije ruimte kan opleveren.

3.10 Uitstel van betaling zonder rente bij omzetting in bv door buitenlandse ondernemer

Op dit moment is er geen wettelijke basis voor renteloos uitstel van betaling voor een buitenlandse ondernemer die zijn onderneming omzet in een bv of nv. De wet wordt aangepast, zodat deze aansluit bij het Besluit geruisloze omzetting. Bij een geruisloze omzetting naar een bv of nv wordt daarom het uitstel op de conserverende aanslag voortaan renteloos verleend. Deze aanslag wordt opgelegd om de Nederlandse aanmerkelijkbelangclaim veilig te stellen.

Deze regeling is vooral van belang voor buitenlandse belastingplichtigen. Door belastingverdragen kan de Belastingdienst de box 2-claim soms niet innen. In dat geval verleent de fiscus renteloos uitstel van betaling voor het geconserveerde bedrag.

3.11 Wijziging kleineondernemersregeling

Sinds 1 januari 2025 kunnen Nederlandse ondernemers ook gebruikmaken van de kleineondernemersregeling (KOR) van andere EU-lidstaten. Dit is interessant voor ondernemers die grensoverschrijdend werken en onder de omzetgrens blijven.

De KOR biedt een btw-vrijstelling voor kleine ondernemers met een beperkte omzet. Nieuw is dat de regeling ook in andere EU-landen geldt, mits een totale EU-omzet onder de € 100.000 blijft. Per land kan een ander grensbedrag gelden, in Nederland is dit € 20.000.

Voorwaarde is dat u elk kwartaal omzetinformatie moet aanleveren, zodat de EU-lidstaten kunnen controleren of ondernemers aan de voorwaarden voldoen. De oorspronkelijke wettekst over deze rapportageverplichting leidde tot verwarring. De wet wordt aangepast, zodat helder is welke informatie u wanneer moet aanleveren.

3.12 Fonds voor gemene rekening

Vanaf 2025 zijn fondsen voor gemene rekening niet langer fiscaal transparant en daarmee belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Dit heeft in de praktijk geleidt tot enkele knelpunten. Om die reden loopt er een onderzoek naar de definitie van het fonds voor gemene rekening. De mogelijke uitkomst hiervan is dat vanaf 2027 een fonds voor gemene rekening weer fiscaal transparant wordt als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.

In de praktijk zou dit leiden tot een korte belastingplichtige periode voor het fonds van gemene rekening van 1 januari 2025 t/m 31 december 2026. Om dit te voorkomen, is overgangsrecht opgenomen, zodat het fonds ook in deze periode transparant blijft.

Voor het overgangsrecht is geen actie nodig. Meldt het fonds zich niet vóór 28 februari 2026 aan als belastingplichtige? Dan geldt het overgangsrecht automatisch.

Let op!
Het overgangsrecht geldt alleen voor fondsen voor gemene rekening die al op 31 december 2024 bestonden.

Tip!
Voldoet u waarschijnlijk niet aan de voorwaarden van het overgangsrecht? Meld u dan uiterlijk 28 februari 2026 bij de Belastingdienst aan.

4 Internationaal

4.1 Tweede aanpassing Wet minimumbelasting 2024 (Pillar Two)

De Wet minimumbelasting 2024, ook bekend als Pillar Two, is op 31 december 2023 in werking getreden. Deze wet zorgt ervoor dat grote multinationale ondernemingen met een jaaromzet van meer dan € 750 miljoen in elk land waar ze actief zijn, minimaal 15% effectieve winstbelasting betalen.

Er is nu een tweede wetsvoorstel ingediend met aanvullende en technische wijzigingen. Deze zijn bedoeld om de Nederlandse wetgeving volledig in lijn te brengen met de OESO-modelregels en bijbehorende administratieve richtsnoeren en de nieuwe EU-richtlijn DAC9, die de internationale gegevensuitwisseling regelt.

De belangrijkste wijzigingen zijn:

Bijheffing-informatieaangifte (TTIR)
Multinationals moeten een top-up tax information return (TTIR) indienen. Deze aangifte bevat per land het effectieve belastingtarief en de berekening van eventuele bijheffing.

Eén centrale aangifte binnen de EU
Dankzij de DAC9-richtlijn hoeft een multinational binnen de EU slechts één TTIR in te dienen in een lidstaat naar keuze. Die lidstaat zorgt voor automatische uitwisseling van de gegevens met andere betrokken EU-landen.

Technische aanpassingen
Begrippen zoals ‘kwalificerend verhandelbaar belastingtegoed’ en’ valutaconversieprincipes’ worden verduidelijkt. Er worden regels toegevoegd voor situaties met negatieve belastinguitgaven, gebruik van andere valuta en verrekenbare belastingtegoeden.

4.2 Wetsvoorstel wet implementatie EU-richtlijn gegevensuitwisseling bijheffing informatieaangifte

Deze regeling implementeert Richtlijn (EU) 2025/872 in de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (WIB) en de Wet minimumbelasting 2024 (WMB 2024).

De regeling verplicht Nederland om gegevens uit de bijheffing-informatieaangifte van multinationale groepen automatisch te delen met andere EU-lidstaten. De aangifte bevat informatie over de toepassing van de minimumbelastingregels per rechtsgebied. De regeling introduceert een standaardformulier in XML-formaat en een verspreidingsaanpak, waarbij alleen relevante delen van de aangifte worden gedeeld met lidstaten die heffingsbevoegd zijn.

Het doel van de regeling is om Richtlijn (EU) 2025/872 uiterlijk op 1 januari 2026 te implementeren. De eerste bijheffing-informatieaangiften moeten uiterlijk op 30 juni 2026 zijn ingediend. Multinationale groepen met een omzet vanaf € 750 miljoen hoeven de aangifte slechts in één lidstaat in te dienen, waarna deze lidstaat de informatie verspreidt naar andere relevante lidstaten.

Doordat ondernemingen de aangifte nog maar in één lidstaat hoeven in te dienen, worden de administratieve lasten aanzienlijk verlaagd. Wel moeten ondernemingen per lidstaat vaststellen welke delen van de aangifte relevant zijn. Niet-naleving van deze verplichting kan worden bestraft met een bestuurlijke boete van maximaal € 25.750.

Let op!
Vul het standaardformulier op tijd in en geef per lidstaat aan wat relevant is. Houd de deadlines aan: 15 maanden voor indiening, 3 (of 6) maanden voor uitwisseling en zorg dat uw administratie klaar is voor automatische uitwisseling vanaf 1 januari 2026.

Tip!
Laat u adviseren door een specialist, bij fouten kan correctie worden geëist.

4.3 Einde overgangsregeling partiële buitenlandse belastingplicht voor expats

De mogelijkheid voor expats om te kiezen voor partiële buitenlandse belastingplicht is per 1 januari 2025 al afgeschaft. Deze regeling stelde buitenlandse werknemers in staat om bepaalde buitenlandse inkomsten en vermogensbestanddelen buiten de Nederlandse belastingheffing te houden, ondanks dat zij in Nederland woonden.

Expats die vóór 1 januari 2024 gebruikmaakten van de 30%-regeling, konden via een overgangsregeling nog tot en met 31 december 2026 kiezen voor partiële buitenlandse belastingplicht. Deze overgangsregeling komt nu definitief ten einde. Vanaf 2027 worden alle expats volledig als binnenlands belastingplichtige aangemerkt. Dit betekent dat ook inkomsten uit box 2 (aanmerkelijk belang) en box 3 (vermogen) in Nederland belast worden.

Let op!
Voor veel expats betekent dit een wijziging met aanzienlijke impact, het is verstandig u hier goed over in te laten lichten.

5 Particulier

Het Belastingplan 2026 brengt voor particulieren flinke veranderingen mee. De belastingtarieven en heffingskortingen schuiven, in box 3 daalt de vrijstelling en voordelen zoals groen beleggen en lijfrentes worden aangescherpt. Kortom: ingrepen die uw inkomen, vermogen én oudedagsvoorziening raken.

5.1 Aanpassing schijven, tarieven en arbeidskorting box 1

Vanaf 1 januari 2026 wijzigen de hoogte en de tarieven van de eerste en de tweede schijf in box 1. De eerste schijf stijgt van € 38.441 (2025) naar € 38.883 (2026). De tweede schijf stijgt van € 76.817 (2025) naar € 79.137 (2026). De tarieven veranderen mee. Het tarief van de eerste schijf daalt van 35,82% (2025) naar 35,70% (2026). Het tarief van de tweede schijf stijgt van 37,48% (2025) naar 37,56% (2026). Het tarief van de eerste schijf van de AOW daalt van 17,92% naar 17,8%.

Tarief inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen 2026 
Belastbaar inkomen meer dan (€)   Maar niet meer dan (€)   Tarief 2026 (%)  
Eerste schijf  – 38.883 35,7
Tweede schijf 38.883 79.137 37,56
Derde schijf 79.137 49,5

Let op!
De verlaging van het box 1-tarief betekent ook dat de aftrekposten in box 1 tegen het tarief van 37,56% in aftrek worden gebracht. Denk aan de renteaftrek eigen woning en de mkb-winstvrijstelling.

5.2 Heffingskortingen: lichte verhoging arbeidskorting

Naast de aanpassing van de schijven en tarieven stijgt ook de arbeidskorting. Deze loopt in 2026 van € 996 (2025: € 980) tot € 5.712 (2025: € 5.599).

Heffingskortingen 2025 (€) 2026 (€)
Algemene heffingskorting maximaal (< AOW-leeftijd) 3.068 3.115
Arbeidskorting (maximaal) 5.599 5.712
Jonggehandicaptenkorting 909 923
Maximum inkomensafhankelijke combinatiekorting 2.986 3.032
Ouderenkorting (maximaal) 2.035 2.067
Alleenstaandeouderkorting 531 540
Afbouwpercentage van de arbeidskorting 6,51% 6,51%

5.3 Planning invoering nieuw box 3-stelsel

Tijdelijk kan gekozen worden tussen twee manieren voor de heffing van inkomstenbelasting over vermogen in box 3. Jaarlijks kan gekozen worden tussen het huidige forfaitaire stelsel of de tegenbewijsregeling. Dit laatste is voordelig als het werkelijke rendement over het vermogen in het jaar lager ligt dan het forfaitaire rendement.

De tegenbewijsregeling geldt totdat de wet is gewijzigd naar een systeem waarbij geheven wordt over het werkelijke rendement over het vermogen in box 3. Deze wet moet op 1 januari 2028 ingaan. Dit is volgens de staatssecretaris van Financiën alleen haalbaar als uiterlijk op 15 maart 2026 het wetsvoorstel wordt aangenomen door de Tweede Kamer.

5.4 Werkelijk rendement box 3: vanaf 2028, lager heffingsvrij vermogen en einde groen beleggen

Tot 2028 blijft de belasting in box 3 gebaseerd op een fictief rendement. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat deze methode mogelijk in strijd is met het eigendomsrecht. Vanaf 2028 wordt daarom het werkelijke rendement belast. Tot die tijd worden enkele aanpassingen doorgevoerd in het forfaitaire systeem.

Per 1 januari 2026 daalt het heffingsvrij vermogen van € 57.684 naar € 51.396 per belastingplichtige. Voor fiscale partners daalt dit van € 115.368 naar € 102.792. Het forfaitair rendement op overige bezittingen stijgt van 5,88% (2025) naar 7,78% (2026). Deze stijging is grotendeels budgettair gemotiveerd.

Let op!
De verhoging geldt niet alleen voor onroerende zaken, maar voor alle overige bezittingen, zoals aandelen, obligaties en vorderingen.

Tip!
Was uw werkelijke rendement in eerdere jaren lager dan het forfaitaire rendement? Dien dan een opgaaf werkelijk rendement (OWR) in. Vraag uw adviseur of dit belastingvoordeel oplevert.

5.5 Reparatie tegenbewijsregeling box 3 voorkomt heffingslek

Als belastingplichtige kunt u tot 1 januari 2028 jaarlijks kiezen tussen twee methoden voor de heffing van inkomstenbelasting over het vermogen in box 3. U kiest het forfaitaire stelsel met vaste percentages of de tegenbewijsregeling. In die laatste telt het werkelijke rendement over het vermogen in het betreffende jaar. Dit is gunstig wanneer uw werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement.

In de tegenbewijsregeling wordt een heffingslek gerepareerd. U kunt als belastingplichtige uw belastingdruk verlagen door obligaties met aangegroeide rente te kopen. Deze obligaties keren de rente pas uit in het opvolgende jaar. Het werkelijke rendement op de obligaties is hierdoor in het aankoopjaar negatief en wordt niet belast. In het opvolgende jaar wordt dan gekozen voor het forfaitaire stelsel, zodat het forfaitaire rendement maximaal wordt belast. Dit lek wordt gerepareerd door de obligaties aan het begin én einde van het jaar te waarderen op de werkelijke waarde (inclusief rente). Hiermee wordt het heffingslek afgedicht, dat in 2025 naar verwachting een gemiste opbrengst van circa € 100 miljoen veroorzaakt.

Tip!
Dit geldt alleen voor obligaties die u na 25 augustus 2025 koopt. Voor eerder aangekochte obligaties geldt het overgangsrecht.

Let op!
De maatregel geldt niet alleen voor obligaties, maar ook voor ander box 3-vermogen met korte termijnen, zoals vorderingen. Banktegoeden zijn uitgezonderd.

5.6 Aanpassingen leegwaarderatio

Woningen die niet uw eigen woning zijn, worden in box 3 belast op basis van de WOZ-waarde. Verhuurt u de woning aan iemand met huurbescherming, dan ligt de verkoopwaarde van de woning vaak lager. In dat geval kunt u de leegwaarderatio toepassen: een korting op de WOZ-waarde, afhankelijk van de hoogte van de huur. Hierdoor betaalt u minder belasting. Een vergelijkbare regeling geldt ook voor de schenk- en erfbelasting bij een verhuurde woning.

De leegwaarderatio wordt vanaf 2026 in de inkomstenbelasting en de schenk- en erfbelasting aangepast. Heffing over de werkelijke waarde wordt mogelijk als die 10% of meer afwijkt van de waarde volgens de leegwaarderatio. Ook geldt de leegwaarderatio niet meer bij onzakelijk handelende gelieerde partijen, zoals familieleden.

De WOZ-waardes van woningen zijn de afgelopen jaren flink gestegen. Hierdoor komt het steeds vaker voor dat de werkelijke waarde van een verhuurde woning lager is dan de WOZ-waarde, verminderd met de leegwaarderatio. Is het verschil 10% of meer? Dan mag u de werkelijke waarde van de woning aangeven. Dit mocht al sinds 2015, maar wordt vanaf 2026 officieel wettelijk vastgelegd.

Verhuurt u een woning aan een familielid? Dan mag u vanaf 1 januari 2026 de leegwaarderatio niet meer toepassen als de huurprijs niet marktconform is. Zo wordt voorkomen dat met lage huurprijzen een te lage waarde in het economisch verkeer wordt opgevoerd aan bekenden.

Let op!
Gaat u binnenkort een woning verhuren aan een familielid? Onderbouw dan goed de zakelijkheid van uw huurprijs. Neem hierover contact op met uw adviseur.

Let op!
Twijfelt u of u wel een marktconforme huur in rekening brengt? Neem dan ook contact op met uw adviseur, zodat u aanpassingen kunt doorvoeren voor 1 januari 2026.

5.7 Verlaging vrijstelling groene beleggingen (2027)

De regeling voor groene beleggingen zou per 1 januari 2027 vervallen, maar dit blijkt technisch niet uitvoerbaar voor de Belastingdienst. De regeling vervalt daarom per 1 januari 2028. In 2025 bedraagt de vrijstelling in box 3 € 26.312 (voor fiscaal partners € 52.624). Daarnaast geldt een heffingskorting van 0,1% over het bedrag. Vanaf 2027 daalt de vrijstelling naar € 200 (€ 400 voor fiscaal partners). Daarmee levert de regeling nog maar een verwaarloosbare belastingbesparing op. Effectief wordt de regeling dus wel per 1 januari 2027 afgeschaft.

Let op!
In 2026 geldt de regeling voor groene beleggingen nog wel. De vrijstelling blijft naar verwachting vergelijkbaar met die van 2025.

Tip!
Heeft u groene beleggingen? Overweeg dan vóór 2027 om uw situatie fiscaal te herzien.

5.8 Wijziging pseudo-eindheffing vervroegde uitdiensttreding (RVU)

Biedt u uw personeel een regeling aan om de periode tot aan pensioen te kunnen overbruggen? Dan betaalt u sinds 2011 een extra heffing van 52%. Deze uitkeringen, ook wel bekend als RVU, stijgen per 1 januari 2026 naar 57,7%. Per 1 januari 2027 is het de bedoeling dat dit percentage wordt verhoogd tot 64% en in 2028 naar 65%.

Als tegemoetkoming voor de verhoging van de AOW-leeftijd bij zware beroepen geldt voor alle werknemers een vrijstelling. Deze wordt met € 300 verhoogd en gaat via jaarlijkse indexatie gelijk oplopen met de ontwikkeling van contractlonen. De vrijstelling bedraagt in 2025 € 2.273 per maand. Dit geldt niet met terugwerkende kracht. Voor regelingen binnen 36 maanden voor de AOW-leeftijd hoeft u geen pseudo-eindheffing te betalen als u binnen deze vrijstelling blijft.

Tip!
Het is niet altijd duidelijk of een regeling onder een RVU valt. Ook een eenmalige uitkering of regeling die vóór de pensioendatum afloopt, kan kwalificeren. Laat u hierover goed voorlichten.

Tip!
Wilt u werknemers financieel ondersteunen bij vervroegde uitdiensttreding? Dan is het verstandig om de mogelijkheden binnen de vrijstelling te laten beoordelen.

5.9 Versoepeling uitzendregeling hypotheekrenteaftrek

Verblijft u tijdelijk in het buitenland vanwege werk (bijvoorbeeld uitzending of overplaatsing)? Dan kunt u onder voorwaarden de woning in Nederland blijven aanmerken als eigen woning. Hierdoor blijft de hypotheekrente aftrekbaar. Deze zogenaamde ‘uitzendregeling’ geldt niet als u de woning tijdens uw verblijf in het buitenland ter beschikking stelt aan anderen (derden). In dat geval wordt uw woning niet langer belast in box 1 als eigen woning, maar als een overige bezitting in box 3. De woning wordt hierdoor vaak een stuk zwaarder belast met inkomstenbelasting.

Vanaf 2026 wordt wettelijk vastgelegd dat het dan mogelijk is om de woning ter beschikking te stellen aan (achter)kleinkinderen, kinderen, partners en huisgenoten die voorafgaand aan uw verblijf in het buitenland minimaal twaalf maanden deel uitmaakten van uw huishouden. De mogelijkheid om de woning met ingang van 1 januari 2026 ter beschikking te stellen aan (achter)kleinkinderen is een aanvullende versoepeling van de regeling. De rest maakte al deel uit van het beleid en wordt nu in de wet vastgelegd.

5.10 Versoepeling inkomensverklaring voor buitenlands belastingplichtigen

Woont u in een andere EU-lidstaat, de EER, Zwitserland of op een van de BES-eilanden? Dan kunt u kwalificerend buitenlands belastingplichtige zijn als minstens 90% van uw wereldinkomen in Nederland wordt belast.

Tot nu had u altijd een inkomensverklaring nodig om deze status te verkrijgen. Die moest u opvragen bij de Belastingdienst van uw woonland. Omdat steeds meer landen niet meewerken, vervalt deze verplichting per 1 januari 2026. Voortaan geldt dat op verzoek van de inspecteur aannemelijk moet worden gemaakt dat 90% van het inkomen in Nederland wordt belast. Hiervoor kan een inkomensverklaring worden opgevraagd. Blijkt dit lastig? Dan kunnen bijvoorbeeld ook aangiftes of aanslagen uit het woonland worden gebruikt ter onderbouwing.

5.11 Lijfrenteproducten

Vanaf 2026 geldt voor alle lijfrentevormen dezelfde uiterste startdatum. Een lijfrente moet uiterlijk starten in het jaar waarin de gerechtigde de AOW-leeftijd plus vijf jaar bereikt. Als een lijfrente vererft, moet de uitkering uiterlijk beginnen op 31 december van het tweede jaar na overlijden. De Belastingdienst kan de termijn verlengen bij bijzondere omstandigheden, zoals administratieve vertragingen.

Het gelijktrekken voorkomt verwarring en ongelijke behandeling. Tot nu toe mocht een lijfrenteverzekering nog uitkeren met een jaarbetaling achteraf, waardoor de eerste uitkering pas in het jaar van AOW-leeftijd plus zes jaar plaatsvond. Voor een lijfrenterekening en een lijfrentebeleggingsrecht gold al de grens van de AOW-leeftijd plus vijf jaar. Jaarbetaling achteraf is vanaf 2026 niet meer toegestaan.

Wordt een lijfrente niet tijdig uitgekeerd, dan wordt dit fiscaal gezien als afkoop. Dit leidt tot heffing van inkomstenbelasting ineens over het gehele lijfrenteproduct, vaak tegen het hoogste tarief. Daarbovenop komt 20% revisierente.

Let op!
Heeft u een lijfrente bij uw eigen bv en bent u de AOW-leeftijd al gepasseerd? Neem contact op met uw adviseur om tijdig met de uitkering te starten.

5.12 Belastingheffing op niet-kwalificerende lijfrentes

Soms kwalificeren lijfrenteproducten, waarvoor in het verleden premies zijn afgetrokken, niet (meer) als een lijfrente volgens de wet. Dit komt bijvoorbeeld voor bij overeenkomsten met de eigen bv. Daarmee kon de belastingheffing lang worden uitgesteld of zelfs vermeden, bijvoorbeeld door te beginnen met uitkeren van de lijfrente na de uiterste wettelijke ingangsdatum.

Voor deze uitkeringen wordt de wet aangescherpt. Niet-kwalificerende lijfrente-uitkeringen worden voortaan altijd belast als inkomen in box 1. Daarnaast geldt voortaan ook de bovengenoemde uiterste termijn voor de start van de uitkeringen. De maatregel geldt met terugwerkende kracht vanaf 25 april 2025. Uitkeringen vanaf die datum vallen al onder de nieuwe regels.

5.13 Geen indexatie pensioengevend loon of premiegrondslag lijfrenteaftrek

De maximale premiegrondslag voor lijfrenteaftrek blijft in 2026 – net als in 2025 – € 137.800. Ook de aftoppingsgrens voor pensioengevend loon in de loonbelasting blijft op € 137.800. De fiscale ruimte die u heeft om pensioen op te bouwen, neemt in 2026 dus niet toe. Hetzelfde geldt voor de lijfrenteaftrek. Ook hiervoor neemt de jaarruimte in 2026 niet toe.

5.14 Aanpassing ‘suikertaks’

Op alcoholvrije dranken geldt een verbruiksbelasting, ook wel suikertaks genoemd. Melk en karnemelk waren altijd uitgezonderd, omdat dit geen gezoete dranken zijn. De uitzondering gold wanneer een drank voldoende melkvet bevatte.

In 2024 steeg de belasting fors, naar € 26,13 per 100 liter (was € 8,83). Hierdoor kwamen er meer dranken op de markt met een kleine hoeveelheid melkvet om daarmee onder de vrijstelling van verbruiksbelasting te vallen. Ook melkproducten met toegevoegde suiker vielen namelijk onder de vrijstelling.

Vanaf 1 januari 2027 verandert dit. De uitzondering hangt dan af van het suiker- en verzadigd vetgehalte. Zo wil het kabinet een gezonder voedingspatroon stimuleren.

5.15 Accijnsverhoging alcohol vervalt

Met ingang van 1 januari 2026 zou een eenmalige inflatiecorrectie van 2,6% worden toegepast op de accijnzen voor bier, wijn en sterke drank. Deze eerder aangekondigde verhoging van accijns op alcohol vervalt.

6 Vastgoed

De woningmarkt blijft een heikel punt voor de regering. Daarom wijzigt met het Belastingplan 2026 het tarief in de overdrachtsbelasting, zijn er aanpassingen in de leegwaarderatio en wordt investeren in huur- en tweede woningen aantrekkelijker. Voor verhuur en logies komen er juist strengere btw-regels. Wij zetten de belangrijkste wijzigingen voor u op een rij.

6.1 Aanpassingen leegwaarderatio

Woningen die niet uw eigen woning zijn, worden in box 3 belast op basis van de WOZ-waarde. Verhuurt u de woning aan iemand met huurbescherming, dan ligt de verkoopwaarde van de woning vaak lager. In dat geval kunt u de leegwaarderatio toepassen: een korting op de WOZ-waarde, afhankelijk van de hoogte van de huur. Hierdoor betaalt u minder belasting. Een vergelijkbare regeling geldt ook voor de schenk- en erfbelasting bij een verhuurde woning.

De leegwaarderatio wordt vanaf 2026 in de inkomstenbelasting en de schenk- en erfbelasting aangepast. Heffing over de werkelijke waarde wordt mogelijk als die 10% of meer afwijkt van de waarde volgens de leegwaarderatio. Ook geldt de leegwaarderatio niet meer bij onzakelijk handelende gelieerde partijen, zoals familieleden.

De WOZ-waardes van woningen zijn de afgelopen jaren flink gestegen. Hierdoor komt het steeds vaker voor dat de werkelijke waarde van een verhuurde woning lager is dan de WOZ-waarde, verminderd met de leegwaarderatio. Is het verschil 10% of meer? Dan mag u de werkelijke waarde van de woning aangeven. Dit mocht al sinds 2015, maar wordt vanaf 2026 officieel in de wet vastgelegd.

Verhuurt u een woning aan een familielid? Dan mag u vanaf 1 januari 2026 de leegwaarderatio niet meer toepassen als de huurprijs niet marktconform is. Zo wordt voorkomen dat met lage huurprijzen een te lage waarde in het economisch verkeer wordt opgevoerd aan bekenden.

Let op!
Gaat u binnenkort een woning verhuren aan een familielid? Onderbouw dan goed de zakelijkheid van uw huurprijs. Neem hierover contact op met uw adviseur.

Let op!
Twijfelt u of u wel een marktconforme huur in rekening brengt? Neem dan ook contact op met uw adviseur, zodat u aanpassingen kunt doorvoeren voor 1 januari 2026.

6.2 Versoepeling uitzendregeling hypotheekrenteaftrek

Verblijft u tijdelijk in het buitenland vanwege werk (bijvoorbeeld uitzending of overplaatsing)? Dan kunt u onder voorwaarden de woning in Nederland blijven aanmerken als eigen woning. Hierdoor blijft de hypotheekrente aftrekbaar. Deze zogenaamde ‘uitzendregeling’ geldt niet als u de woning tijdens uw verblijf in het buitenland ter beschikking stelt aan anderen (derden). In dat geval wordt uw woning niet langer belast in box 1 als eigen woning, maar als een overige bezitting in box 3. De woning wordt hierdoor vaak een stuk zwaarder belast met inkomstenbelasting.

Vanaf 2026 wordt wettelijk vastgelegd dat het dan mogelijk is om de woning ter beschikking te stellen aan (achter)kleinkinderen, kinderen, partners en huisgenoten die voorafgaand aan uw verblijf in het buitenland minimaal 12 maanden deel uitmaakten van uw huishouden. De mogelijkheid om de woning met ingang van 1 januari 2026 ter beschikking te stellen aan (achter)kleinkinderen is een aanvullende versoepeling van de regeling. De rest maakte al deel uit van het beleid en wordt nu in de wet vastgelegd.

6.3 Verlaging overdrachtsbelasting voor niet-hoofdverblijfwoningen

Per 1 januari 2026 geldt een nieuw tarief van 8% in de overdrachtsbelasting voor woningen die niet als hoofdverblijf worden gebruikt. Hiermee daalt het huidige tarief van 10,4%. Zo wordt investeren in huurwoningen, tweede woningen en vakantiewoningen aantrekkelijker en kan het aanbod in het middenhuursegment groeien. Deze wijziging was al in 2025 aangekondigd.

Tariefstructuur vanaf 2026:

  • 0%: Startersvrijstelling (onder voorwaarden)
  • 2%: Voor woningen die door de koper zelf als hoofdverblijf worden gebruikt
  • 8%: Voor woningen die niet als hoofdverblijf worden gebruikt (zoals beleggingen, verhuur of recreatie)
  • 10,4%: Voor niet-woningen, zoals bedrijfspanden en kantoren

 

Tip!
Overweegt u te investeren in een tweede woning of woning voor verhuur? U bespaart 2,4% overdrachtsbelasting als u deze investering in 2026 doet.

6.4 Aanpak kortdurende verhuur en btw

In Nederland is de verhuur van onroerend goed meestal vrijgesteld van btw. Dat betekent dat verhuurders de btw die zij betalen niet kunnen terugvragen. Voor kortdurende verhuur binnen een hotel, pension, kamp- of vakantiebestedingsbedrijf geldt echter een uitzondering: deze verhuur is btw-belast. Daardoor mag u de betaalde btw aftrekken.

Daarnaast geldt er een herzieningsregeling voor btw-aftrek als het gebruik van afschrijfbare (on)roerende zaken verandert. Diensten, zoals schilderwerk, architectkosten en verbouwingswerkzaamheden vallen daar nu nog buiten. Per 1 januari 2026 wordt deze regeling uitgebreid naar kostbare diensten aan onroerende zaken. De herzieningstermijn is vijf jaar en er geldt een drempel van € 30.000 (exclusief btw).

Let op!
Gebruikt u als ondernemer een verbouwd pand voor kortdurende verhuur (btw-belast) en zet u dit vervolgens in voor vrijgestelde verhuur? Dan krijgt u na de invoering van de nieuwe regels te maken met herzienings-btw op de verbouwingskosten.

6.5 Afschaffen verlaagd btw-tarief logies

Het verlaagde btw-tarief van 9% vervalt per 1 januari 2026. Het tarief wordt dan 21% en geldt voor overnachtingen in hotels, pensions, gemeubileerde vakantiehuizen, stacaravans, (safari)tenten en semipermanente zomerhuisjes. Ook kort verblijf van bijvoorbeeld studenten, werknemers, asielzoekers of dak- en thuislozen (short-stay verhuur) valt vanaf die datum onder dit hoge tarief. Deze wijziging stond al in het Belastingplan 2025 en gaat definitief door.

Het verlaagde btw-tarief blijft wel gelden voor kamperen. Neemt de gast zelf een tent, caravan of camper mee? Dan blijft 9% btw van toepassing, ook als gebruik wordt gemaakt van voorzieningen zoals toiletten of speelterreinen.

7 Vervoer

Het kabinet kiest ervoor om bestaande fiscale voordelen rondom mobiliteit verder af te bouwen en tegelijkertijd een evenwichtigere belastingheffing te realiseren. Dit betekent dat zowel particulieren als ondernemers rekening moeten houden met stijgende lasten en veranderende regelingen op het gebied van vervoer.

7.1 Invoering van 12% pseudo-eindheffing op fossiele personenauto’s

Personenauto’s zorgen voor veel uitstoot. Om de doelen uit de Klimaatwet in 2030 te halen, komt er een pseudo-eindheffing die werkgevers stimuleert sneller over te stappen op volledig elektrische auto’s.

Vanaf 1 januari 2027 geldt een pseudo-eindheffing van 12% over de cataloguswaarde (bij auto’s ouder dan 25 jaar: de marktwaarde) van iedere fossiele personenauto die een werkgever ook privé beschikbaar stelt. Woon-werkverkeer telt daarbij als privégebruik.

De werkgever betaalt de pseudo-eindheffing en mag deze niet doorbelasten aan de werknemer. De eigen bijdrage van de werknemer telt niet mee voor de bepaling van de pseudo-eindheffing.

De regeling geldt niet voor:

  • Auto’s die uitsluitend zakelijk worden gebruikt;
  • Incidenteel privégebruik bij overmacht;
  • Auto’s die vóór 1 januari 2027 ter beschikking zijn gesteld, met een looptijd tot 17 september 2030;
  • Bestelauto’s, vrachtwagens en tractors;
  • Ondernemers voor de inkomstenbelasting (wel voor hun personeel).

 

De pseudo-eindheffing wordt per kalendermaand berekend. U draagt deze uiterlijk in het tweede tijdvak van het volgende jaar af. Over 2027 betaalt u dus uiterlijk in het tweede loonaangiftetijdvak van 2028.

Als gevolg van deze maatregel stijgen de kosten voor werkgevers flink als zij een auto ook privé beschikbaar stellen. Lopende lease- en koopcontracten vallen nog onder een overgangsperiode, maar vanaf 2027 moet u rekening houden met extra kosten bij nieuwe contracten.

Tip!
Overweeg vóór 2027 nog fossiele auto’s voor het eerst ter beschikking te stellen of juist te kiezen voor emissievrije auto’s om fiscale lasten te beperken.

Let op!
Woon-werkverkeer telt altijd als privégebruik. Ook met een verklaring ‘Geen privégebruik’ blijft de pseudo-eindheffing gelden.

7.2 Afbouw korting bijtelling elektrische auto

Ondernemers konden de afgelopen jaren nog profiteren van een lagere bijtelling voor elektrische auto’s van de zaak. Daar komt vanaf 2026 definitief een einde aan. De fiscale stimulering van volledig elektrische auto’s wordt verder afgebouwd. Deze maatregel komt uit het Belastingplan 2022 en is dus niet nieuw.

Ook voor waterstofauto’s en auto’s met geïntegreerde zonnepanelen is het lagere bijtellingspercentage niet meer mogelijk.
In 2025 geldt nog een bijtelling van 17% over de eerste € 30.000 van de cataloguswaarde en 22% over het bedrag daarboven. Vanaf 2026 vervalt dit. Vanaf dan geldt voor alle nieuwe auto’s – elektrisch én niet-elektrisch – een bijtelling van 22% over de volledige cataloguswaarde.

Het bijtellingspercentage bij de eerste toelating van de auto blijft 60 maanden van toepassing. Dat betekent dat een elektrische auto die nog in 2025 wordt aangeschaft, nog gedurende vijf jaar profiteert van het lagere bijtellingspercentage.

Let op!
2025 is het laatste jaar waarin u een auto kunt aanschaffen (datum eerste toelating uiterlijk 31 december 2025) met een lager bijtellingspercentage. Overweeg nu al uw investeringen in het wagenpark.

7.3 Fiets van de zaak: bijtelling vervalt bij niet-thuisstalling

Stelt u een fiets ter beschikking die door de werknemer voor privédoeleinden gebruikt mag worden? Dan wordt daar momenteel een bijtelling van 7% per jaar op ingehouden. Een fiets telt als privé als deze ook (deels) voor woon-werkverkeer wordt gebruikt.

Het kabinet wil de bijtelling laten vervallen als de fiets niet structureel thuis wordt gestald. Dit geldt bijvoorbeeld voor:

  • Fietsen die minder dan 10% van de tijd bij het woonadres worden gestald. Van ‘stallen’ is sprake als een werknemer de fiets voor het huis kan zetten en de sleutel mee naar binnen kan nemen.
  • Deelfietsen die op kantoor of bij een hub worden opgehaald.
  • Dienstfietsen die alleen incidenteel mee naar huis gaan.

 

Let op!
De bijtelling van 7% blijft wel van toepassing als de werknemer tijdens de rit naar huis omrijdt voor een privé-boodschap.

Voor deelfietsen die niet mee naar huis gaan, maar wel privé worden gebruikt (bijv. omfietsen voor een boodschap), geldt deze uitzondering ook.

Tip!
Zorg dat de werknemer de deelfiets thuis niet meer kan gebruiken, of slechts af en toe mee naar huis neemt.

Tip!
Deze regeling werkt terug tot 1 januari 2020. Bijtelling sinds die datum kan worden gecorrigeerd als de fiets niet structureel thuis is gestald en de werknemer deze alleen voor (een deel van) het woon-werkverkeer heeft gebruikt.

Let op!
Deze wijziging geldt ook voor ondernemers die zelf een fiets van de zaak gebruiken.

7.4 Wijziging rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit

Werkgevers met meer dan 100 medewerkers zijn verplicht om bij te houden op welke wijze hun werknemers zakelijk reizen (woon-werkverkeer en overige zakelijke reizen). Op basis van deze informatie dient jaarlijks een rapportage ingediend te worden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
In april 2025 is door de Tweede Kamer een motie aangenomen om de regeldruk voor het midden- en kleinbedrijf te verminderen door deze rapportageverplichting pas van toepassing te laten zijn voor bedrijven met ten minste 250 werknemers. De verwachting is dat dit binnenkort in een nadere regeling zal worden vormgegeven.

7.5 Wijzigingen voor de belastingen op personenauto’s en motorrijwielen (bpm)

De belastingen op personenauto’s en motorrijwielen (bpm) wordt op enkele onderdelen aangepast.

7.5.1 Emissievrije bijzondere personenauto’s en motorfietsen vanaf 2026
Per 1 januari 2025 is de bpm-vrijstelling voor emissievrije voertuigen vervallen. Hierdoor ontstond een ongelijk speelveld: waar reguliere emissievrije personenauto’s slechts een vast bedrag van € 667 aan bpm betalen, werden emissievrije bijzondere personenauto’s (zoals kampeerauto’s en rolstoelvoertuigen) en emissievrije motorrijwielen vanaf 2025 belast alsof het fossiele voertuigen waren. Dat leidde tot een forse lastenverzwaring.
Dit verschil was via een tijdelijk beleidsbesluit hersteld. Nu wordt een en ander vastgelegd in de wet met toepassing tot en met 2030. Voor emissievrije bijzondere personenauto’s geldt hetzelfde bpm-tarief als voor reguliere emissievrije auto’s, namelijk een vast bedrag van € 667, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2025. Voor emissievrije motorrijwielen geldt een invoering van een vaste voet van € 200.
Voor met fossiele brandstoffen aangedreven bijzondere personenauto’s en motorrijwielen blijft de catalogusprijs de grondslag voor de bpm.

7.5.2 Afschaffing speciaal bpm-tarief plug-inhybride (Belastingplan 2025)
Plug-inhybride auto’s met een lage CO2-uitstoot krijgen een korting op de bpm ten opzichte van volledig fossiele auto’s. Hoe hoger de CO2-uitstoot, hoe hoger de bpm.

De meting van de CO2-uitstoot wordt steeds strenger. Nieuwe plug-inhybride auto’s krijgen dan een hogere CO2-uitstootwaarde. Om ervoor te zorgen dat de bpm voor nieuwe plug-inhybride auto’s niet hoger wordt dan voor andere personenauto’s, wordt het aparte bpm-tarief afgeschaft.

Per 1 januari 2025 bedroeg de bpm voor plug-inhybride personenauto’s nog 75% van het reguliere tarief. Vanaf 1 januari 2026 vervalt deze korting in zijn geheel en is het volledige tarief verschuldigd.

7.5.3 Jaarlijkse aanpassing op basis van verwachte vergroening
De bpm wordt geheven bij aanschaf of import van een personenauto en is afhankelijk van de CO2-uitstoot. Omdat nieuwe auto’s steeds zuiniger worden, daalt de gemiddelde uitstoot en daarmee ook de bpm-grondslag. Om te voorkomen dat de bpm-opbrengsten structureel dalen, wordt de bpm-tabel jaarlijks aangescherpt. Vanaf 2026 wordt wettelijk vastgelegd welke mate van autonome vergroening (daling van CO2-uitstoot) wordt verwacht. De maatregel sluit aan bij het klimaatbeleid en de noodzaak om de belastinggrondslag in stand te houden.

Voor ondernemingen die actief zijn in de autobranche of voertuigen aanschaffen, betekent dit dat de bpm jaarlijks kan stijgen, ook zonder beleidswijziging. De bpm-tarieven worden aangepast aan de hand van de verwachte daling van de gemiddelde CO2-uitstoot. Dit kan leiden tot hogere kosten bij aanschaf van voertuigen met fossiele aandrijving, vooral als deze niet voldoen aan de nieuwste emissienormen.

Tip!
Overweeg bij de aanschaf van nieuwe voertuigen een overstap naar emissievrij. Deze zijn vaak vrijgesteld van bpm, terwijl de bpm op fossiele voertuigen jaarlijks stijgt. Zo voorkomt u onverwachte kosten en sluit u aan bij de fiscale vergroening van het wagenpark. U voorkomt zo mogelijk ook de pseudo-eindheffing van 12%, die vanaf 1 januari 2027 van toepassing is op aan werknemers ter beschikking gestelde fossiele auto’s.

7.6 Wijzigingen voor de wegenbelasting (motorrijtuigenbelasting)

7.6.1 Invoering tijdelijke tariefkorting mrb emissievrije personenauto’s
De heffing van de wegenbelasting is onder andere gebaseerd op het gewicht van de auto. Emissievrije auto’s (volledig elektrisch of waterstof aangedreven) zijn door de aanwezigheid van de accu zwaarder dan auto’s op benzine of diesel. Hierdoor zouden deze in een hogere gewichtsklasse vallen, met een hogere wegenbelasting tot gevolg.

Om dit nadeel te compenseren, wordt voor emissievrije auto’s een korting van 25% op de wegenbelasting verleend. Vanaf 1 januari 2026 tot en met 2028 geldt een verhoogde korting van 30%. Vanaf 1 januari 2029 wordt de korting verlaagd naar 25%. De korting vervalt vanaf 1 januari 2030.

7.6.2 Beëindiging kwarttarief voor vrachtauto’s in de motorrijtuigenbelasting
Het kwarttarief voor vrachtauto’s in de motorrijtuigenbelasting wordt afgeschaft per 1 januari 2028. Het gaat hierbij om motorrijtuigen die zijn ingericht als werktuig of als werkplaats en motorrijtuigen die worden gehouden door kermis- of circusexploitanten en worden gebruikt voor het vervoer van kermis- of circusbenodigdheden.

7.6.3 Verhoging tarief kampeerauto’s
Voor kampeerauto’s geldt dat zij een kwart van het standaardtarief van de wegenbelasting verschuldigd zijn (het kwarttarief). Vanaf 2026 wordt dit kwarttarief vervangen door een halftarief. Voor kampeerauto’s die bedrijfsmatig worden verhuurd, geldt momenteel al een halftarief, maar dit vervalt per 2026. Deze aanpassing was al in het Belastingplan 2024 vastgelegd.

7.6.4 Rode diesel
In het Hoofdlijnenakkoord 2024 is voorgesteld dat het gebruik van rode diesel in de landbouw opnieuw zou worden toegestaan. Toch is de herinvoering van rode diesel niet opgenomen in de huidige voorstellen.

7.6.5 Invoering vrachtwagenheffing
Halverwege 2026 wordt in Nederland de vrachtwagenheffing voor vrachtwagens ingevoerd. Deze maatregel is bedoeld om de CO2-uitstoot te verminderen en het Nederlandse wegennet eerlijker te belasten. De heffing geldt daarom voor binnenlandse en buitenlandse vrachtwagens, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg.

De tarieven worden als volgt:

  • € 0,16 per gereden kilometer voor een voertuig met een toegestane maximummassa van 16 ton;
  • € 0,035 per gereden kilometer voor een voertuig met een toegestane maximummassa van 16 ton, maar 100% elektrisch;
  • € 0,201 per gereden kilometer voor een voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 32 ton;
  • € 0,038 per gereden kilometer voor een voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 32 ton, maar 100% elektrisch.

 

Met de invoering van de vrachtwagenheffing worden de volgende wijzigingen doorgevoerd:

  • Afschaffing van het Eurovignet in Nederland – transportbedrijven hoeven dit vignet niet langer aan te schaffen.
  • Wijzigingen in de motorrijtuigenbelasting – voor vrachtwagens tot 12 ton wordt de belasting volledig afgeschaft. Voor vrachtwagens boven 12 ton wordt de belasting verlaagd tot het Europese minimumniveau. Dit betekent een verlaging ten opzichte van de huidige situatie.

7.7 Accijnskorting op brandstof verlengd tot 2026

Het kabinet heeft besloten dat de accijnstarieven voor benzine, diesel en LPG ook in 2026 ongewijzigd blijven, namelijk op het niveau van 1 juli 2023. Daarmee wordt de accijnskorting in 2026 de facto ruimer dan in voorgaande jaren. Ter achtergrondinformatie: de accijnzen zijn sinds 1 april 2022 verlaagd, per 1 juli 2023 deels teruggedraaid en voor 2024 en 2025 gelijk gehouden. Door de tarieven opnieuw ongewijzigd te laten tot 1 januari 2027, worden de kosten van autorijden betaalbaar gehouden.

8 Verduurzaming en klimaat

Deze Prinsjesdag zet het kabinet sterk in op verduurzaming, zowel via huishoudens als bedrijven. Ondernemers krijgen te maken met nieuwe regels rond CO2-heffing, afvalstoffenbelasting en het Europese CBAM. Tegelijk verdwijnen er ook lasten, zoals de heffing op plastic wegwerpverpakkingen en wordt verduurzaming gestimuleerd.

8.1 Aanpassing vliegbelasting

Vanaf 2027 wordt de vliegbelasting berekend op basis van de gevlogen afstand. Nu geldt één tarief van € 29,40 per vlucht, maar de bedoeling is om er drie tarieven van te maken. De tarieven zijn gebaseerd op de afstand tussen Amsterdam en de hoofdstad van het land van de bestemming van de passagier:

  • € 29,40 – bestemmingen tot ca. 2.000 km
  • € 47,24 – bestemmingen tussen ca. 2.000-5.500 km
  • € 70,86 – overige bestemmingen (meer dan 5.500 km)

 

De tarieven worden in 2027 nog gecorrigeerd voor de inflatie. Het doel van deze maatregel is om vluchten met meer uitstoot zwaarder te belasten en daarmee te ontmoedigen.

Let op!
Het Caraïbische deel van het Koninkrijk valt onder het lage tarief, ondanks de afstand. Daarnaast wordt voor ultra perifere gebieden (zoals de Canarische Eilanden) een aparte regeling getroffen.

8.2 Energiebelasting: hogere korting vanaf 2026

De belastingvermindering energiebelasting wordt vanaf 2026 structureel verhoogd. De maatregel compenseert huishoudens voor stijgende energiekosten, vooral door hogere netwerktarieven.

De belastingvermindering is het bedrag dat in mindering wordt gebracht op de energierekening. Deze vermindering geldt voor elektriciteitsaansluitingen met een verblijfsfunctie, zoals woningen, kantoren en winkels. Deze vermindering is onafhankelijk van het verbruik: iedereen met een kwalificerende aansluiting ontvangt dezelfde korting.

De belastingvermindering daalt van € 635,19 (2025) naar € 628,95 inclusief btw (2026). Dit is hoger dan de oorspronkelijk vastgestelde € 617,71 per huishouden.

8.3 Afschaffing verbruiksplafond leidingwater

U betaalt nu enkel belasting op leidingwater over het verbruik boven de 300 m³ per jaar. Vanaf 2026 gaat het heffingsplafond omhoog naar 50.000 m³ per jaar en in 2027 verdwijnt het helemaal. Voor grootverbruikers betekent dit een hogere belastingrekening. De overheid wil hiermee zuiniger watergebruik stimuleren en verspilling tegengaan.

8.4 Nieuwe regels voor koolstofcorrectie aan de grens (CBAM)

Vanaf 1 januari 2026 geldt de Europese Verordening voor het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM). CBAM is bedoeld om koolstoflekkage te voorkomen door een koolstofprijs te heffen op bepaalde geïmporteerde goederen uit landen buiten de EU, zoals staal/ijzer, cement, kunstmest en aluminium. Ook precursoren, zoals stalen schroeven, bouten en moeren vallen hieronder.

Importeurs van CBAM-goederen moeten beschikken over een toelating als CBAM-aangever en jaarlijks een CBAM-aangifte indienen over de hoeveelheid geïmporteerde goederen en de bijbehorende CO2-uitstoot. Op basis van deze aangifte moeten zij vanaf 2026 een koolstofcorrectie betalen.

8.5 Aanpassingen CO2-heffing industrie

De verduurzaming van de Nederlandse industrie verloopt moeizaam door diverse belemmeringen. Denk aan overbelasting van het net, stikstofproblematiek, trage vergunningverlening, hoge energieprijzen en afhankelijkheid van internationale markten. Belangrijke investeringen blijven daardoor uit, terwijl bedrijven wel CO2-heffing betalen.
Voor grote industriële bedrijven, zoals de ETS1- en lachgasinstallaties, daalt de CO2-heffing van € 87,90 naar € 78,67 per ton CO2. Door extra vrijstellingen betaalt de zware industrie de komende jaren nauwelijks CO2-heffing.
Voor afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) stijgt de CO2-heffing juist fors: van € 152 nu naar € 295 per ton in 2030. Dit maakt afvalverbranding flink duurder en stimuleert afvalscheiding en recycling.

8.6 Samentelbepaling maximale investeringsbedrag energie-investeringsaftrek

Bedrijven en ondernemers die investeren in energiezuinige bedrijfsmiddelen mogen 40% van die investering extra aftrekken van de winst. De grens ligt bij € 151 miljoen per jaar (2025), daarna vervalt de extra aftrek. Investeert u (mede) via een samenwerkingsverband, zoals een vof? Dan kunt u boven de grens van € 151 miljoen uitkomen en onbedoeld de aftrek verhogen. Het kabinet wil dit voorkomen. Daarom tellen investeringen in een samenwerkingsverband mee met de eigen investeringen. De grens blijft € 151 miljoen.

8.7 Actualisatie SBI-codes voor de Energiebelasting

De Wet belastingen op milieugrondslag regelt verschillende milieubelastingen in Nederland, waaronder de energiebelasting, afvalstoffenbelasting en belasting op leidingwater. Daarin staan drie regelingen waarvoor geen energiebelasting wordt betaald voor de levering of het verbruik van elektriciteit of aardgas. Om gebruik te kunnen maken van deze regelingen, geldt dat uw onderneming gekoppeld moet zijn aan een type industrieel proces én aan het soort bedrijf op basis van de SBI-code van de onderneming.
Per 6 september 2025 zijn de SBI-coderingen vernieuwd. Van belang is dat het bedrijf dat de regeling wil toepassen, onder de juiste SBI-codering valt.
Voor elektriciteit en aardgas in metallurgische processen gaat het om bedrijven met SBI-code 24 of 25. Voor aardgas in mineralogische processen gaat het om bedrijven met SBI-code 23. Binnen deze SBI-codes verandert inhoudelijk niets: bedrijven die gebruikmaken van de vrijstelling kunnen dit blijven doen.
Wel kan de overgang gevolgen hebben voor ondernemingen die bij de KVK al onder de nieuwe SBI-codes zijn ingedeeld, terwijl de wet nog verwijst naar de oude SBI-codering. Dit wetsvoorstel zorgt ervoor dat die bedrijven alsnog de regeling kunnen toepassen.

8.8 Verhoging en hervorming afvalstoffenheffing

De afvalstoffenbelasting voor afvalverwerkingsbedrijven wordt hervormd om meer recycling, afvalstortingen en een circulaire economieafvalstort te beperken.

  • De vrijstelling voor afvalstoffenbelasting op het verbranden van zuiveringsslib (het restproduct van het zuiveren van afvalwater) komt per 2027 te vervallen.
  • Het storten van afval met ontheffing wordt duurder vanaf 2029.
  • De afvalstoffenbelasting stijgt van € 39,70 per ton afval (2025) naar € 90,21 per ton afval (2028) tot structureel € 113,81 per ton afval (2035).
  • De CO2-heffing daalt voor grote industriële bedrijven, maar stijgt juist voor afvalverbrandingsinstallaties. Afval verbranden wordt daardoor duurder.

8.9 Afschaffen heffing op plastic wegwerpverpakkingen

Momenteel geldt een heffing op plastic bekers en wegwerpbakjes. In het voorjaar van 2025 besloot het kabinet dat deze heffing per 1 januari 2026 wordt afgeschaft. De Inspectie Leefomgeving en Transport ziet inmiddels niet meer toe op de handhaving van deze regel.

Wel blijft voor ondernemers de plicht bestaan om duurzame alternatieven voor plastic wegwerpverpakkingen aan te bieden of klanten aan te sporen zelf herbruikbare verpakkingen te gebruiken.

9 Overig

Met Prinsjesdag zijn verschillende fiscale maatregelen aangekondigd die gevolgen hebben voor stichtingen, verenigingen en particulieren. Zo komen er nieuwe transparantieverplichtingen en verandert de erf- en schenkbelasting op meerdere punten. Deze en diverse aangekondigde maatregelen zetten we voor u op een rij.

9.1 Nieuwe transparantieverplichtingen voor stichtingen en verenigingen

Vanaf 1 januari 2026 treedt de Wet transparantie en tegengaan ondermijning door maatschappelijke organisaties in werking. Deze wet verplicht (alle, ook niet-commerciële) stichtingen om jaarlijks hun staat van baten en lasten te deponeren bij de KVK.

Daarnaast moeten stichtingen, verenigingen en kerkgenootschappen op verzoek van bepaalde instituties (zoals de burgemeester of het Openbaar Ministerie) informatie verstrekken over de herkomst, het doel en de omvang van donaties, zowel uit binnen- als buitenland. Doel van deze wet is het vergroten van transparantie en het voorkomen van misbruik van maatschappelijke organisaties voor ondermijnende activiteiten.

9.2 ANBI’s verplicht tot digitale publicatie via centraal portaal

In de Fiscale verzamelwet 2026 is opgenomen dat vanaf 2026 alle Algemeen Nut Beogende Instellingen (ANBI’s) hun verplichte publicatiegegevens niet alleen op een eigen of branchewebsite publiceren, maar ook via een centraal digitaal portaal dat wordt beheerd door de Belastingdienst.

ANBI’s moeten hun gegevens voortaan via een standaardformulier elektronisch aanleveren. Deze gegevens worden vervolgens openbaar toegankelijk gemaakt via het nieuwe Portaal-ANBI. Daarnaast komt er een tweede portaal, ANBI Toezicht, uitsluitend voor de Belastingdienst, bedoeld voor digitale controle en registratie.

Doel van deze wijziging is om transparantie te vergroten en het toezicht te verbeteren, zonder dat dit leidt tot extra administratieve lasten voor de ANBI’s zelf. In de uitvoeringstoets, opgenomen in de Memorie van Toelichting bij dit wetsvoorstel, is echter aangegeven dat de portal-ANBI publicatieplicht pas per 1 januari 2029 en de portal-ANBI toezicht pas per 1 januari 2030 uitvoerbaar is voor de Belastingdienst.

9.3 Afschaffing fiscale voordelen bij ongelijke verdeling (huwelijks)gemeenschap

De rechter heeft geoordeeld dat een ongelijke verdeling van gemeenschappelijk huwelijksvermogen, zoals een 90:10-verhouding, toegestaan is en dat de onderlinge verschuiving niet belast wordt. Dit leidde tot constructies waarbij in zicht van overlijden of bij echtscheiding het vermogen strategisch werd verdeeld, bijvoorbeeld om erfbelasting te beperken of alimentatieverplichtingen te vermijden.

De nieuwe regeling belast voortaan het deel van het vermogen dat een echtgenoot meer ontvangt dan de helft van de gemeenschap met erf- of schenkbelasting. De heffing vindt plaats bij scheiding of overlijden, ongeacht wanneer de ongelijke breukdelen zijn overeengekomen.

Let op!
De regeling treedt in werking op 1 januari 2026. Aanpassingen in het gemeenschappelijk huwelijksvermogen naar ongelijke breukdelen die plaatsvinden na 16 september 2025 worden belast bij scheiding of overlijden. Laat uw onderneming tijdig beoordelen of bestaande huwelijkse voorwaarden met ongelijke breukdelen vóór 16 september 2025 zijn vastgelegd. Alleen deze vallen onder de overgangsregeling. Aanpassingen na deze datum, ook als ze minder scheef zijn (bijvoorbeeld van 90:10 naar 60:40), worden vanaf 1 januari 2026 belast.

Let op!
Dit is van overeenkomstige toepassing bij geregistreerd partnerschap en samenwoners.

9.4 Gelijke fiscale behandeling voor biologische en juridische kinderen vanaf 2026

Het is mogelijk dat een kind een schenking of nalatenschap krijgt van de biologische vader, maar niet door hem is erkend. In die situatie kan het kind geen beroep doen op de kindvrijstelling en het kindtarief. Dit werd als onrechtvaardig gezien als er wel een vorm van nauwe persoonlijke band tussen vader en kind bestaat. De rechter liet het aan de wetgever over om dit gebrek te herstellen. Daarom wordt in de Successiewet een biologisch kind met een eigen kind gelijkgesteld. Wel moet ter voorkoming van misbruik de bloedverwantschap met een vorm van een DNA-test worden aangetoond.

Als gevolg hiervan is het mogelijk dat het kind afzonderlijk van de wettelijke vader en de biologische vader een schenking of nalatenschap tegen een laag tarief ontvangt. Ook geeft dit de mogelijkheid tweemaal van schenkvrijstellingen te profiteren.

9.5 Erfbelasting: verlenging aangiftetermijn en aanpassing belastingrente

Veelal blijkt het niet haalbaar om binnen de termijn van acht maanden aangifte erfbelasting te doen doordat nog niet alle gegevens beschikbaar zijn. Het doen van een voorlopige aangifte erfbelasting lukt om die reden ook niet altijd op tijd, waardoor aanslagen erfbelasting worden opgelegd met berekening van belastingrente. Dit wordt als onredelijk ervaren.

Om hieraan tegemoet te komen, wordt met ingang van 2026 de aangiftetermijn met één jaar verlengd van acht naar twintig maanden na de dag van overlijden. Een aanslag erfbelasting die volgt uit een tijdig ingediende aangifte kan vervolgens zonder belastingrente worden betaald. De nieuwe aangiftetermijn geldt alleen voor overlijdens die op of na 1 januari 2026 plaatsvinden.

Is die twintig maanden alsnog onvoldoende om de aangifte erfbelasting te doen? Dan kunt u op verzoek eenmalig vier maanden uitstel krijgen. De langere termijn voor het doen van aangifte geeft de Belastingdienst niet een langere behandeltermijn; de aanslag erfbelasting moet nog steeds binnen drie jaar na het overlijden zijn opgelegd.

9.6 180-dagen fictie erfbelasting

Binnen de Successiewet geldt dat wanneer u een schenking ontvangt van iemand die binnen 180 dagen overlijdt, dit als onderdeel van de erfenis wordt gezien. Dit is bedoeld om schenkingen in zicht van overlijden – ter besparing van erfbelasting – tegen te gaan. Momenteel dient u bij een schenking een aangifte schenkbelasting in, maar bij een eventueel overlijden binnen 180 dagen wordt de schenkbelasting verrekend met de erfbelasting. Dit wordt als onnodig complex ervaren.

Vanaf 1 januari 2026 is daarom bij een schenking ontvangen van iemand die binnen 180 dagen daarna overlijdt, geen aparte aangifte schenkbelasting meer nodig. De schenking wordt nog wel steeds als onderdeel van de erfenis gezien en moet worden opgenomen in de aangifte erfbelasting. Omdat deze maatregel per 1 januari 2026 wordt ingevoerd, geldt dit alleen voor schenkingen die ná 5 juli 2025 zijn gedaan.

Was het overlijden niet voorzienbaar en de aangifte schenkbelasting al ingediend en/of betaald? Dan zal de Belastingdienst zelfstandig de aanslag verminderen en de betaling retourneren.

9.7 DAC8: automatische uitwisseling van crypto-informatie

Vanaf 1 januari 2026 treedt de Wet implementatie EU-richtlijn gegevensuitwisseling cryptoactiva (DAC8) in werking. Deze wet verplicht cryptoaanbieders om klantgegevens en transactiegegevens te rapporteren aan de Belastingdienst en zorgt voor automatische uitwisseling van deze gegevens tussen EU-lidstaten.

Deze wet zou geen directe gevolgen hebben voor bezitters van crypto, aangezien zij al verplicht zijn hun bezittingen in box 3 op te geven. Het niet naleven van de rapportageplicht kan leiden tot boetes tot € 1.030.000.

9.8 Inzagerecht voor belastingplichtigen en inhoudingsplichtigen

Vanaf 2026 krijgen belastingplichtigen en inhoudingsplichtigen het wettelijke recht om op verzoek inzage te krijgen in hun fiscale dossier bij de Belastingdienst en de Douane. Concreet betekent dit dat zij kunnen inloggen op een portaal op elk gewenst moment en zo de beschikking krijgen over hun eigen fiscale dossier.

Tot nu toe was inzage vaak beperkt tot de bezwaarfase of bij boeteprocedures. Deze wetswijziging beoogt een grotere transparantie en controleerbaarheid van de fiscale gegevens voor belastingplichtigen.

9.9 Verhoging invorderingsrente

De hoogte van de invorderingsrente is geregeld in een beleidsbesluit. Momenteel bedraagt de invorderingsrente 4%. In de Miljoenennota is benoemd dat de invorderingsrente verhoogd wordt naar 4,25%.

 

Disclaimer
Bij de samenstelling van de teksten is naar uiterste betrouwbaarheid en zorgvuldigheid gestreefd. Onze organisatie kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele onjuistheden en de gevolgen hiervan.

 

Recente nieuwsberichten

Volg ons op social media